Kat in de tas

Hoe hij me wakker maakt. Hoe hij op me wacht. Hoe hij zich tegen me aan vlijt. Hoe hij jankt als hij honger heeft. Hoe hij gaapt, krabt, likt en luiert. Als je verliefd kon zijn op dieren, dan was ik smoor op mijn kat. Vandaag is hij jarig. Het staat in zijn vaccinatieboekje. 23 mei 2008. Ik betwijfel of hij zich heel erg jarig voelt. Toen ik Lang zal hij leven inzette, stoof hij door het kattenluikje naar buiten en de slingers die ik gisteravond stiekem al had opgehangen lagen vanochtend op de vloer. Misschien vindt hij het niet leuk om ouder te worden. Omgerekend naar mensenjaren is hij nu tweeënvijftig. Voor het verjaardagsmaal is hij wel te paaien. Net z’n baasje. Hij eet gretig, zonder pauzes. Zelfs het blokje kaas is zonder kauwen weg. Dus geef ik hem nog een blokje. En daarna nog een. Omdat hij jarig is natuurlijk, maar ook omdat ik blij ben dat hij nog leeft. Niet zo lang geleden was hij namelijk voor heel even dood.

Het is zondagavond en ik fiets met wijn en oesters in mijn maag naar huis. Als ik bij het stoplicht sta te wachten en me opmaak voor het refrein, stopt de muziek. Een berichtje. Aan het geluid te horen komt het bericht van Facebook. Vaak kunnen Facebookberichten wachten, maar nu voelt het dringend. Ik open het gesprek. Het is mijn achterbuurvrouw. Of wij een kleine zwarte kat hebben met witte pootjes en een wit befje. ‘Ja!’, typ ik enthousiast. Maar dat weet ze toch? Of hij thuis is. ‘Weet ik niet’, stuur ik, ‘Ik ben er niet.’ Het duurt lang voordat mijn buurvrouw reageert. Ze blijft maar typen en telkens als ik denk dat ze nu toch onderhand wel een keer op enter moet gaan drukken, begint ze weer opnieuw met typen. Ik raak geïrriteerd en vloek. Op het moment dat ik de telefoon terug in mijn jaszak wil stoppen, dringt het tot me door: er is iets aan de hand.

En ja hoor. Een paar deuren verderop is een dode kat in de tuin gevonden. Een zwarte, met witte pootjes en een wit befje. Ineens ben ik blij dat ik op een racefiets zit. Nog geen vijf minuten later zwaai ik de poort open, gooi mijn fiets tegen de muur en begin als een bezetene de naam van de kat te roepen. Met trillende handen probeer ik ondertussen de achterdeur van het slot te halen. Zul je zien dat meneer gewoon languit op de bank ligt. Maar de bank is leeg. Ook op de groene stoel, die hij zich al enige tijd heeft toegeëigend, is geen kat te bekennen. Zijn etensbakje, denk ik. Of ik dat bakje nou uit de vaatwasser haal, er tegenaan knal met de stofzuiger of alleen al optil, meneer staat geheid binnen tien seconden aan mijn voeten. Terwijl ik met het bakje rammel, wissel ik zijn naam af met mijn befaamde lokgeluidjes. Het blijft stil. Geen gemiauw of geritsel. ‘Is ie er al?’ Mijn vriend stapt hijgend van zijn fiets. ‘Godverdomme nee!’, roep ik. ‘Ik snap er niks van. Meestal weet hij niet hoe snel hij bij de poort moet zijn als hij ons hoort aankomen.’ ‘Ik weet het. Dit is niks voor hem.’ Met grote passen loop ik rond. Ik til stoelen op, schuif wasmanden opzij en inspecteer ieder hoekje. En dan keihard schrikken als hij ineens achter een gordijn vandaan springt en heel hard ‘BOE!’ roept, denk ik. Gebeurde niet.

Na een half uur geven we het op. ‘Laten we maar naar de buren gaan’, zegt mijn vriend. ‘Ik durf niet’, antwoord ik. Hij pakt me vast en drukt zijn borst stevig tegen me aan. ‘Het komt goed, pop. Ik ben bij je.’ Nummer 24 lijkt hermetisch afgesloten. De rolluiken hangen voor het raam en ook de voordeur is dichtgerold. ‘Ik dacht dat we aan sociale controle voldoende hadden hier in de Muntel’, grap ik zenuwachtig. Mijn vriend belt aan. Er begint een hond te blaffen. Zou die hond…? De rolluiken komen in beweging en de deur wordt van het slot gedraaid. Een echte Bossche. Ze ziet er doorleefd uit. Alleen haar getoupeerde hoogblonde haar herinnert aan vroeger. ‘Ach gos, jullie komen voor de poes. Kom maar binnen, hoor. Ik heb hem in een boodschappentas gedaan.’ De tranen staan in mijn ogen. Een boodschappentas? ‘Ga jij maar’, zeg ik. Ik kan dit niet.’ Mijn vriend stapt naar binnen. Ik zak door mijn knieën en leun met mijn armen op de vensterbank van het naastgelegen huis. Mijn adem hapert. Ik hoor de buurvrouw en mijn vriend praten, maar kan niet horen wat ze zeggen. Laat het alsjeblieft niet waar zijn. Ik hoor voetstappen. ‘Heel veel sterkte’, ook voor je meisje.’ Ik laat de vensterbank los en zak in elkaar. ‘Nee, nee’, brul ik. Dit kan niet. Niet weer.’ De ogen van mijn vriend zijn nat. Brullend lopen we hand in hand naar huis. In zijn rechterhand draagt mijn vriend de gele boodschappentas met onze kat.

In mijn relatief korte leven ben ik al een paar dierbaren verloren. Die totale machteloosheid, dat gapende gat, die intense leegte. Ik haat de dood. De dood wint namelijk altijd. Ook nu voel ik me bestolen. Op zulke momenten is er maar één iemand wiens stem ik wil horen: die van mijn moeder. Omdat mijn handen nog steeds trillen leg ik de telefoon op bed en zet ik mijn moeder op de luidspreker. Terwijl zij mijn huilende woorden probeert te ontcijferen, hoor ik Jan vanuit de woonkamer mijn naam roepen. Of ik even wil komen kijken. ‘Nee ik wil niet naar onze dode kat komen kijken!’, schreeuw ik. ‘Ik weet het ook niet mam’, vervolg ik, ‘Ik kan gewoon niet zonder dat beestje, snap je?’ ‘Roos! Kom verdomme nou eens kijken!’ Mijn vriend staat in de deuropening. ‘Ik twijfel of het hem wel is.’ ‘Wát? Hoezo twijfel je? Heb je net niet goed gekeken dan?’ ‘Ja, nee. Ik weet het gewoon niet! Het ging ook zo snel.’ Noem me een slecht baasje, maar als ik voor de dode kat sta kan ik ook niet meteen met zekerheid zeggen of het nou de onze is of niet. Alsof je dan ineens niet meer weet hoe je eigen – fucking – kat eruitziet. ‘Pak er een foto bij!’, roep ik. ‘Op je telefoon staat er toch wel eentje?’ Na wat scrollen komt mijn vriend een foto tegen. ‘Nee, kijk. Dat witte loopt veel langer door. Ook heeft hij een zwart kinnetje, dat heeft deze niet. Of toch wel? Kijk jij nog eens.’ Dit getwijfel gaat ongeveer een half uur door. Dan besluiten we unaniem dat hij het niet is. ‘Dit is onze kat niet!’, schreeuwt mijn vriend om ons besluit nog wat kracht bij te zetten. ‘Maar waar is hij dan godverdomme?’ Uit pure frustratie trekt mijn vriend een fles rode wijn open. Met de dode kat op de keukentafel gaan wij in de tuin zitten wachten. Want ja, onze nachtbraker moet nu toch onderhand weleens thuiskomen zou je denken.

Het duurt een minuut of vijf. We horen hem tegelijk. De oermiauw noemen we het ook wel. Zo’n miauw die door merg en been gaat. Vanaf de schuur springt hij via het muurtje de tuin in. Ik kniel voor hem neer in het gras. Hij schrikt zich het apelazarus en trekt een sprintje naar de varens. Met grote passen loop ik naar hem toe, til hem op en geef hem kleine kusjes. Gewoon op zijn bek, want ik ben verliefd. Hij heet niet voor niets Prins.

Gaatje

Sommige mensen zijn bang voor de tandarts. Zo bang dat ze bij de gedachte alleen al spontaan beginnen te hyperventileren. Een bezoek om die reden zo lang mogelijk uitstellen. Ik niet. Bang ben ik voor andere dingen. Voor honden – want die bijten dus echt wel –, bussen en spreken in het openbaar. Mijn tandarts heeft geen praktijkhond, ik ga er altijd op de fiets naartoe en als ik het goed uitstippel, kruis ik onderweg geen bus. Met alle haakjes, polijstborstels en speekselzuigers in mijn mond kom ik bovendien nauwelijks aan spreken toe. En dat terwijl ik in de geborgenheid van deze tandartspraktijk best mijn hart zou luchten. Mijn tandarts voelt als een verre vriend. Zo’n vriend die je niet vaak ziet, maar als je hem ziet, weten jullie allebei dat het goed zit. Jullie op hetzelfde punt verder kunnen gaan daar waar je elkaar de vorige keer achterliet. We weten wat we aan elkaar hebben. Ik schat hem net zo oud als mijn vader nu zou zijn. Iets jonger misschien. Dat hoop ik althans, want met pensioen gaan mag hij nog niet. Ik heb nog nooit een gaatje gehad. Daar ben ik best trots op. Op feestjes zeg ik het ook weleens. Als iemand vertelt over een promotie, of opschept over verloren kilo’s. Bewondering alom. Komt door mijn vader, denk ik. Hij had sterke tanden. Ook stonden ze mooi recht. Schitterende lach. Aanstekelijk ook. En hard.

We gingen altijd samen naar de tandarts. Terwijl mijn vader in de stoel lag, zijn opgepoetste Van Bommels tegen elkaar aan tikkend, speelde ik op de grond met de duploblokken. Binnen twintig minuten stonden we weer buiten. Terwijl de fluoride nog aan mijn hoektanden vastgeplakt zat, fietsten we richting Drop Inn. Vanaf de stang wees ik mijn vader de weg. Zijn overhemd wapperde in de wind en zijn kin rustte zachtjes op mijn kruin. Het was warm die dag. Voor vijftien cent koos ik een kikkertje, een citroenkauwgom en een groene zurenmat die ik pas na een halfuur op mocht eten. Tandarts’ orders. Inmiddels zijn we vierentwintig jaar verder. Ik heb nog steeds dezelfde tandarts. Ook dezelfde vader, maar we gaan niet meer samen. Toch is hij er altijd bij. Ik herken hem in de geel geschilderde deurposten, de schilderijen aan de wand, in de spiegel op het toilet en in de ogen van mijn tandarts. Vandaag viel de uitnodiging voor mijn tweejaarlijkse controle op de mat. Even kijken of ik deze week nog een gaatje heb.

Scherven

De dag begint zoals alle anderen. Toch is vandaag anders, want mijn vriendin gaat verhuizen. Helemaal naar Amsterdam. Ik heb beloofd haar te helpen, dus om tien uur sta ik bij haar ouders op de stoep. Ik bel aan en denk dat ik de rest van de verhuisploeg al aan de koffie hoor zitten. Soms hoor je dingen die er niet zijn. De verhuisploeg blijkt namelijk enkel te bestaan uit mijn vriendin en haar vader. Ik herken hem amper zonder strikje. Er is ook geen sprake van koffie. Wel van heel veel spullen. In uitpuilende boodschappentassen, koffers en schoenendozen. Hier en daar liggen ook losse attributen, zoals een lichtblauwe yogamat, een oud gordijn met vlekken en een schilderijtje met een zoet kijkend bambi hertje. “Gelukkig ben je wel goed in heel veel andere dingen.” Mijn vriendin grijnst. “Ik kan inderdaad geweldig goed koken.”

We beginnen met het bed, want zonder bed geen Amsterdams leven. Misschien beginnen we ook wel met het bed omdat ze altijd zeggen dat je met de zwaarste taken van je to-do-lijst moet beginnen. Dat zou zomaar kunnen. Ik sta in ieder geval boven aan de trap, mijn vriendin beneden en haar vader heeft zich ergens halverwege achter de springveren vastgezet. Hij houdt de zijkant van het gevaarte vast en geeft met een rood hoofd aanwijzingen. “Zakken, zakken, zakken! Draaien, draaien, draaien!” Terwijl ik zijn instructies opvolg, vraag ik me af waarom hij alles drie keer zegt. Waarschijnlijk omdat hij denkt dat tillende vrouwen in trapgaten nou eenmaal een extra aanmoediging nodig hebben. Op het moment dat ik hem om opheldering wil vragen, knalt een van de poten tegen de glazen lamp aan het plafond. Het glas breekt en de scherven belanden in een van de open verhuistassen. “Ho, ho, ho, ho.” Oké, dat was vier keer. “Zakken, dames! Zakken, zakken, zakken. Niks aan het handje, die lamp was toch van je moeder. Het gaat hartstikke goed.” “Totdat jíj de verkeerde instructie gaf, ja!”, snauwt mijn vriendin. “Ho eens even, dame. Jullie volgen mijn aanwijzingen gewoon niet goed op. Dát is het!” Ik haal adem om tussen beiden te komen, maar in plaats daarvan slik ik mijn woorden in en aanschouw met het bed leunend op een tree het tafereel. Ik wou dat ik het was die zo op de trap stond te kibbelen met haar vader. Misschien ooit nog eens. Want scherven brengen geluk.

Schildershandje

Als dochter van een kunstenaar zou je toch denken dat ik enig teken-, dan wel schildertalent zou hebben. Ook zou je kunnen denken dat ik, als dochter van een kunstenaar, van kleins af aan doeken heb vol geschilderd, of nog beter, je zou kunnen denken dat ik, bij wijze van spreken, met de kwast in de hand geboren was. Niets is minder waar. Ik heb tot op de dag van gisteren geen penseel aangeraakt. Tot groot verdriet van mijn vader. Want hoewel hij mij nooit gedwongen heeft in zijn voetsporen te treden, weet ik dat hij het jammer vond dat ik nooit ben gaan schilderen. Nu kan hij trots zijn. Ik heb gisteren voor het eerst in mijn leven een stilleven geschetst. “Niet slecht, helemaal niet slecht, Rosa”, zegt Marian als ze een eerste blik werpt op mijn schets. “Jouw aanzicht is het moeilijkste van de drie en die vis, die heb je krachtig neergezet.” Ik word zenuwachtig van het compliment van mijn docente en laat bij mijn eerstvolgende aanraking met het doek, het houtskooltje knullig uit mijn hand vallen. Ze lacht. “Je doet het hartstikke goed voor de eerste keer.” Ik bloos, want ook ik vind mijn vis eigenlijk best goed gelukt.

Tot ik bij de buurvrouw ga kijken. Het is mijn vriendin Maaike. Ze heeft de mooiste vis van de zee getekend en ik kan wel janken. “Wauw!”, zeg ik, net iets te overdreven. Marian komt naast me staan. “Ja, ik had het meteen al gezien, Maaike heeft echt een schildershandje.” Ik probeer mijn krijsaanval te onderdrukken en stamel: “Ik ga even plassen.” In de badkamerspiegel kijk ik naar mezelf. Wat had je dan gedacht? Dat je vanavond een Picasso ging neerzetten? Chagall een poepie zou laten ruiken? Nee. Natuurlijk niet, maar ik kan er gewoon niet tegen dat er altijd anderen zijn die beter zijn dan ik. Mooier, slimmer, creatiever. Voor ik verdrink in zelfmedelijden, steek ik m’n tong naar mezelf uit en haal de deur van het slot. Ha! Een schildershandje. Wat een dom woord ook eigenlijk.

Trauma

Na een ietwat vermoeide avond op mijn werk in het eetcafé fiets ik rond de klok van elf richting huis. Waarom moeten mensen toch altijd anderhalf uur ongegeneerd blijven tafelen terwijl alle andere gasten al lang en breed liggen uit te buiken op de bank? Het voorval wordt immer gevolgd door de ongemeend verraste oneliner: “Oh, hemel Juul, ik geloof dat we de laatsten zijn!” Goh. “Ja en jullie willen vast ook naar huis hè. “Nee mevrouw, wij zitten hier liever de hele nacht op een barkruk de glazen te poleren. Ja u wordt ook bedankt!” Toch zou mijn leven zonder deze horeca avonden saai zijn. Als Juul en metgezel niet zo lang hadden gedaan over één glaasje Chardonnay (“Ik zeg altijd ChardoJA, hahaha!”, aldus Juul), was ik mijn schennispleger niet tegengekomen.

Hij komt me tegemoetlopen op het voetpad links van me. Meters voor ik hem passeer trekt hij vliegensvlug zijn broek omlaag. In eerste instantie denk ik dat het een dronken student is die gewoon heel nodig moet plassen. Verkeerd gedacht. Wanneer broek en onderbroek op zijn knieën vallen, grijpt hij zijn lul beet en begint er als een bezetene aan te trekken. Ik verstijf. Ben gechoqueerd en vreemd genoeg voel ik me zelfs een beetje gebruikt. Mijn ogen zien piemels in de seconden die daarop volgen en ik stevig doortrap. Ik durf niet om te kijken, begin te lachen en kan me alleen maar afvragen hoe mijn schennispleger zich nu zou voelen. Trots? Bevrijd? Nog benieuwder ben ik naar de afloop. Zou hij daar nog staan, driftig rukkend tot hij klaarkomt, terwijl buurman Joop nog even langsloopt voor het laatste rondje met de hond? Ik bid van niet.

Mijn schennispleger is blijkbaar goed op dreef. Wanneer ik de volgende morgen het stadskrantje opensla, staat hij op de voorpagina. Ik citeer: “De politie adviseert bewoners indien mogelijk foto’s te maken van de verdachte”. Ik baal als een stekker. Had ik dat geweten, dan kwam het beste shot uiteraard van mij. Ach, ik kan het natuurlijk nog altijd voor ze uittekenen. Het bericht wordt afgesloten met een oproep contact op te nemen met de politie indien u getuige of slachtoffer bent geweest. Ik besluit te bellen. Dat ben ik immers verplicht als verstandige, betrokken Bosschenaar. Voordat de telefoon überhaupt over gaat hoor ik het volgende bandje: “Dit informatiegesprek kost € 0,90 cent per min, met een starttarief van € 0,11 cent. Plus uw gebruikelijke belkosten.” Ik gooi de spreekwoordelijke hoorn op de haak. Houdoe. Dan maar leven met dit trauma.

Naar het museum

Vandaag ging ik naar het Noordbrabants Museum. Als een ervaren museumbezoeker had ik vooraf kaartjes gekocht. Inclusief audiotour. Gewoon voor de heb. ‘Kom, we pakken de ingang van het Stedelijk Museum’, zeg ik, ‘Dat scheelt vast wachttijd.’ De teleurstelling is groot wanneer we vriendelijk verzocht worden de vooringang te gebruiken. ‘Ik zei het toch’, grijnst vriend(niet)lief wanneer we achteraan de rij aansluiten. Gelukkig neemt de stoet snel in lengte af, de meeste mensen waren namelijk minder slim dan ik. Alle kaartjes voor vandaag zijn uitverkocht. Ha! Bij bosjes druipen de grijze muizen af. Ik vind het alles behalve zielig. Morgen weer een dag, werken hoeven ze toch niet. Zeeën van tijd. Nou, niet als je ze in de rij voor de garderobe ziet staan. Voorkruipen alsof hun leven er vanaf hangt, alsof ze hierna nog drie werkbezoeken moeten afleggen en dan is er nog die ledenvergadering vanavond. Met andere woorden, er is haast bij. In de meeste gevallen behoor ik tot de groep vriendelijke, goedwillende jongeren. Ik houd deuren open, groet, laat mensen voorgaan en sta altijd mijn stoel af. Vandaag niet, vandaag vind ik iedereen boven de 55 (sorry mam) irritant.

Ik kijk op mijn horloge en constateer dat het nu eigenlijk tijd is voor een potje bingo, maar wanneer er een tentoonstelling te zien is van een tijdgenoot, tja dan moet je daar natuurlijk als de kippen bij zijn. Ik zweer het, ik heb bij ieder schilderij minimaal drie minuten moeten wachten voordat ik er ook maar een glimp van op kon vangen. Een beetje duwen is daarbij uit den boze, je wil namelijk geen botten breken. Heus, ik ben drukbezochte musea echt wel gewend, maar dit sloeg alles. De audiotour gesprekken ‘Wat zeg je, Will? Ik hóóóór je niet. Hoe zet ik dit ding uit?!!’ daargelaten. Mijn pogingen om alle omgevingsgeluiden te negeren, mislukt keer op keer. Ik heb namelijk geen audiotour. Een vijftien meter lange rij voor een koptelefoon, daar had ík nou geen tijd voor en in het boekje staat immers precies hetzelfde. Daar kwamen Will en Ans ook achter toen ze mij het boekje zagen bestuderen. Van hun gezichten lees ik af dat de beide dames niet begrijpen hoe ze een beschrijving opnieuw kunnen beluisteren. Will stapt dapper op me af en vraagt: ‘Zouden we alsjeblieft de tekst nog even mogen nalezen in jouw boekje?’ Ik frons mijn wenkbrauwen, kijk haar onbegrijpend aan en zeg: ‘Pardon me? Sorry, I don’t speak Dutch.’ Nog voor Will zich kan verontschuldigen komt mijn vriend aangelopen. ‘Ga je mee Roos, ik heb het wel gezien.’

De aanhouder wint

Ik ben ‘Rosa-niks-afmaaks’. Aan een miljoen dingen ben ik de afgelopen 27 jaar begonnen. Veel maakte ik af, veel ook niet. Een boek schrijven, een master afronden, een blog bijhouden, een halve marathon lopen, een vintage kledingwinkel beginnen, iedere dag mediteren, bikiniproof worden, minder drinken, yogini worden, leren fotograferen, mijn vaders werk exposeren. Niks van het bovenstaande heb ik gedaan, bereikt, slechts geprobeerd. De goede moed waarmee ik vaak begin, zakt me na een poosje in de schoenen. Een doorzetter ben ik niet, ik maak me er liever makkelijk vanaf. Het zit er wel; de ambitie, de drang, het verlangen. Maar bij het transformeren van die ambitie in laten we zeggen, het maken van keuzes, stappen en het nemen van risico’s, laat ik vaak een steekje vallen. Of beter gezegd een steek. En die prikt. Want er is niemand anders om de schuld te geven, niemand anders die de schuld op zich kan nemen. Niemand anders dan ikzelf. Maar doe ik dat ook? Nee, natuurlijk niet. Want er zijn altijd redenen genoeg. Redenen die me vrijpleiten, me nog wat meer tijd geven. Tijd om te verspillen. Te leven.

Ongezocht ongeluk

Na een glas wijn in het café smokkel ik de overgebleven nootjes ongezien (want onder mijn sjaal) mee de zaal in. Ondanks het feit dat het een schaaltje ordinaire pinda’s is, voelt het alsof ik zojuist een zak cocaïne het land binnen heb gesmokkeld. Een gevoel van euforie overvalt me en het zweet staat op mijn voorhoofd. Wanneer we een plekje gevonden hebben bekijk, of beter gezegd verslind, ik de buit. Nog tijdens het reclameblok werk ik alles naar binnen. Het gevolg: een gortdroge mond. Op dat moment stapt de mevrouw van de kaartcontrole naar voren en vertelt ons dat de film tweeëneenhalf uur zal duren. Zonder pauze. Ik voel me meteen verraden. Ze wist het!

Vaak kan ik dit soort irritaties maar moeilijk van me af zetten, maar vandaag ben ik de droge pinda nasmaak meteen vergeten. The Revenant is adembenemend. Op de fiets terug naar huis raak ik er niet over uitgepraat en ook thuis evalueer ik verder. In mijn dromen van die nacht komen zelfs beelden uit de film voorbij. En nee, niet alleen van Leonardo. Ook van beeldschone, ongerepte natuur, karakteristieke indianen gezichten en vechtende pelsjagers. Het beeld dat echter het vaakst terugkomt in mijn droom is dat van een boom. In de filmzaal had ik al een voorgevoel dat dit moment eraan zat te komen. Het is de muziek en de manier waarop de camera vanaf de wortels langzaam omhoog beweegt. Wat volgt is een ijzige stilte. Het lijkt zelfs alsof de wind even is gaan liggen. Ik wil mijn hoofd afwenden, maar het lukt niet. En dat geeft niet.

Nu was het in dit geval geen zelfmoord, het was moord. Moord is het op onwettige wijze opzettelijk beëindigen van het leven van een ander, waar een strafverzwarend element aanwezig is. In onder meer het Belgische, Nederlandse en Surinaamse recht is dat strafverzwarende element de zogeheten voorbedachten rade, aldus Wikipedia. Maar wat zegt dat over zelfmoord? Doet men dat dan ook met voorbedachte rade? Op dat moment denk ik aan de uitzending van De Wereld Draait Door waarin dichter Ellen Deckwitz en uitgever Robbert Ammerlaan kwamen vertellen over ‘Wakend over God’, de dichtbundel die Joost Zwagerman (die ik trouwens veel op mijn vader vind lijken, maar dat is weer een heel ander verhaal) vlak voor zijn dood voltooide. Matthijs van Nieuwkerk suggereert in zijn intro dat Zwagerman zijn zelfgekozen dood aankondigt in de dichtbundel. ‘Ik geloof het nog steeds niet’, zegt Ammerlaan, die ter illustratie vertelt over een boekje van de Oostenrijks-Duitse schrijver Peter Handke. ‘In dit boekje, dat de prachtige titel Wunschloses Unglück draagt, schrijft Handke over de zelfmoord van zijn moeder. Zo heb ik het altijd gezien: ongezocht ongeluk. Ik ben ervan overtuigd dat het Joost eerder is overkomen, dan dat hij het heeft gezocht.’

Ik heb dit fragment denk ik wel twintig keer teruggekeken, want het idee dat de dood ook mijn vader is overkomen, verzacht. Ik hoop dat hij zelf ook gelooft dat hem dit is overkomen. Het is in ieder geval niet zijn eigen schuld, het is de schuld van een ongezocht, ongelukkig leven.

Geen taart

Het regent. Op verjaardagen hoort het niet te regenen, vind ik. Zeker niet zoals vandaag. Met tussenpozen. Ik haat tussenpozen. Of het moet heel de dag regenen, of gewoon niet. Maar goed, jij bent dood, dus nat word je toch niet. Ik wel. Want ik ga naar je graf, samen met mama. Op de fiets, omdat mama wist dat er een tussenpoos aankwam. Ze had gelijk.

We fietsen langs ons oude huis. ‘Ik wil eigenlijk wel even in de tuin kijken.’ ‘Ben je gek, mam, dat kan echt niet hoor!’, sis ik. Ze doet alsof ze me niet gehoord heeft, stapt af en loopt de tuin in. ‘Moet je kijken hoe mooi Berkie erbij staat!’ De berkenboom aka Berkie, staat al zo’n vijftien jaar in de tuin. Op een zomerse zondagmiddag kwam papa, bezweet en een tikkeltje gehaast, de tuin in gefietst. Uit zijn linker fietstas kwam een heel schattig boompje tevoorschijn. ‘Vanwaar de haast, Ruud?’, vraagt mijn moeder. ‘En waar komt dat leuke boompje vandaan?’ ‘Ja, dat is het hele punt’, grinnikt mijn vader, ‘die heb ik dus mooi uit de polder meegenomen.’ Vandaag staat hij er nog, Berkie. En wij ook. Te brullen naast een joekel van een berkenboom, in een tuin die ooit de onze was. En dan begint het weer te regenen.

‘Zullen we eerst een kaarsje opsteken in het kapelletje?’, vraag ik wanneer we de begraafplaats op fietsen. ‘Natuurlijk! Maar dan moeten we ‘m daarna wel weer uitblazen’, grapt mijn moeder. ‘Hij is tenslotte jarig.’ Mijn vader is vandaag 60 jaar geworden. Aan taart deed hij nooit. ‘Daar word ik dik van’, zei hij dan. In plaats daarvan bestelde hij een glaasje rode wijn. Vandaag eten mama en ik dan ook geen taart, noch gebak. Vandaag drinken wij wijn, rode wijn. Op de grond, voor jouw graf, tijdens een tussenpoos. ‘Proost pap. Op jou.’

Ter Marsch & Co

By far één van de allerleukste burgertenten waar ik tot nu toe geweest ben. Alleen al omdat ik niet begreep hoe de toiletdeur open moest, ik minimaal een halve minuut heb staan klunzen totdat ik de gniffelende mannen achter me hoorde en het bijna in mijn broek deed van schaamte toen één van de twee me aankeek en zei: ‘Ja.’ (stilte) ‘Die is bezet.’ Op zo’n moment weet ik niet meer wat ik met mezelf aan moet, lees: waar ik moet kijken en hoe ik moet gaan staan. Ik zou het liefst oplossen in de frituurlucht (niet vies hier, overigens!). Dan schuift de deur open (toch een schuifdeur, ik wist het!), trippel ik naar binnen en ben ik veilig. Na mijn plas roetsj ik naar beneden en kruip gauw naast Jan op de bank.

We zitten voor het raam en kijken over de bar de zaak in. Aan de muur hangen kleine tafeltjes voor twee en boven is plek voor zo’n twintig man. Het zaakje is smal, maar knus en precies groot genoeg. We bestellen een witbiertje bij één van de vrolijke meisjes in de bediening. Ik mag zelfs mijn telefoon in de oplader pluggen achter de bar. Lief! En wat zijn we weer heerlijk eensgezind vandaag. We gaan allebei voor de kalfsburger. Niet de burger die als beste van Rotterdam of Nederland te boek staat, wel de burger waar wij het meest trek in hebben. Tussen de b van bestellen en de b van bunkeren is vriend Jan helemaal geobsedeerd door de rijpingskasten. Ieder z’n ding, natuurlijk. Dus bestel ik nog een biertje.

Het vlees is mals en lekker juicy, het broodje zacht met een knapperig korstje. De flinke dot tzatziki geeft de bite een lekker frisje, maar waar de chef mijn ‘nomnomnomnom’ momentje echt mee aftopt, zijn de verse frieten met eigengemaakte look mayo. Hulde! De burger heeft precies de juiste afmeting, niet te groot, maar zeker ook niet te klein. Een gevalletje van freaking perfect! Met een goed gevuld burger buikje, verplaatsen we ons naar het terras om de laatste zonnestralen mee te pikken en met een witbiertje in de hand te genieten van het gespuis in de leukste straat van de stad: de Witte de Withstraat.

Oh, en blijf je ook slapen in Rotjeknor? King Kong Hostel is the place to be! Ver lopen hoeft niet, je kunt rollend naar huis. Je vindt King Kong Hostel namelijk naast Ter Marsch & Co!