Schildershandje

Als dochter van een kunstenaar zou je toch denken dat ik enig teken-, dan wel schildertalent zou hebben. Ook zou je kunnen denken dat ik, als dochter van een kunstenaar, van kleins af aan doeken heb vol geschilderd, of nog beter, je zou kunnen denken dat ik, bij wijze van spreken, met de kwast in de hand geboren was. Niets is minder waar. Ik heb tot op de dag van gisteren geen penseel aangeraakt. Tot groot verdriet van mijn vader. Want hoewel hij mij nooit gedwongen heeft in zijn voetsporen te treden, weet ik dat hij het jammer vond dat ik nooit ben gaan schilderen. Nu kan hij trots zijn. Ik heb gisteren voor het eerst in mijn leven een stilleven geschetst. “Niet slecht, helemaal niet slecht, Rosa”, zegt Marian als ze een eerste blik werpt op mijn schets. “Jouw aanzicht is het moeilijkste van de drie en die vis, die heb je krachtig neergezet.” Ik word zenuwachtig van het compliment van mijn docente en laat bij mijn eerstvolgende aanraking met het doek, het houtskooltje knullig uit mijn hand vallen. Ze lacht. “Je doet het hartstikke goed voor de eerste keer.” Ik bloos, want ook ik vind mijn vis eigenlijk best goed gelukt.

Tot ik bij de buurvrouw ga kijken. Het is mijn vriendin Maaike. Ze heeft de mooiste vis van de zee getekend en ik kan wel janken. “Wauw!”, zeg ik, net iets te overdreven. Marian komt naast me staan. “Ja, ik had het meteen al gezien, Maaike heeft echt een schildershandje.” Ik probeer mijn krijsaanval te onderdrukken en stamel: “Ik ga even plassen.” In de badkamerspiegel kijk ik naar mezelf. Wat had je dan gedacht? Dat je vanavond een Picasso ging neerzetten? Chagall een poepie zou laten ruiken? Nee. Natuurlijk niet, maar ik kan er gewoon niet tegen dat er altijd anderen zijn die beter zijn dan ik. Mooier, slimmer, creatiever. Voor ik verdrink in zelfmedelijden, steek ik m’n tong naar mezelf uit en haal de deur van het slot. Ha! Een schildershandje. Wat een dom woord ook eigenlijk.

Trauma

Na een ietwat vermoeide avond op mijn werk in het eetcafé, fiets ik rond de klok van elf richting huis. Waarom moeten mensen toch altijd anderhalf uur ongegeneerd blijven tafelen terwijl alle andere gasten al lang en breed liggen uit te buiken op de bank? Het voorval wordt immer gevolgd door de ongemeend verraste oneliner: “Oh, hemel Juul, ik geloof dat we de laatsten zijn!” Goh. “Ja en jullie willen vast ook naar huis hè. “Nee mevrouw, wij zitten hier liever de hele nacht op een barkruk de glazen te poleren. Ja u wordt ook bedankt!” Toch zou mijn leven zonder deze horeca avonden saai zijn. Als Juul en metgezel niet zo lang hadden gedaan over één glaasje Chardonnay (“Ik zeg altijd ChardoJA, hahaha!”, aldus Juul), was ik mijn schennispleger niet tegengekomen.

Hij komt me tegemoetlopen op het voetpad links van me. Meters voor ik hem passeer trekt hij vliegensvlug zijn broek omlaag. In eerste instantie denk ik dat het een dronken student is die gewoon heel nodig moet plassen. Verkeerd gedacht. Wanneer broek en onderbroek op zijn knieën vallen, grijpt hij zijn lul beet en begint er als een bezetene aan te trekken. Ik verstijf. Ben gechoqueerd en vreemd genoeg voel ik me zelfs een beetje gebruikt. Mijn ogen zien piemels in de seconden die daarop volgen en ik stevig doortrap. Ik durf niet om te kijken, begin te lachen en kan me alleen maar afvragen hoe mijn schennispleger zich nu zou voelen. Trots? Bevrijd? Nog benieuwder ben ik naar de afloop. Zou hij daar nog staan, driftig rukkend tot hij klaarkomt, terwijl buurman Joop nog even langsloopt voor het laatste rondje met de hond? Ik bid van niet.

Mijn schennispleger is blijkbaar goed op dreef. Wanneer ik de volgende morgen het stadskrantje opensla, staat hij op de voorpagina. Ik citeer: “De politie adviseert bewoners indien mogelijk foto’s te maken van de verdachte”. Ik baal als een stekker. Had ik dat geweten, dan kwam het beste shot uiteraard van mij. Ach, ik kan het natuurlijk nog altijd voor ze uittekenen. Het bericht wordt afgesloten met een oproep contact op te nemen met de politie indien u getuige of slachtoffer bent geweest. Ik besluit te bellen. Dat ben ik immers verplicht als verstandige, betrokken Bosschenaar. Voordat de telefoon überhaupt over gaat hoor ik het volgende bandje: “Dit informatiegesprek kost € 0,90 cent per min, met een starttarief van € 0,11 cent. Plus uw gebruikelijke belkosten.” Ik gooi de spreekwoordelijke hoorn op de haak. Houdoe. Dan maar leven met dit trauma.

Naar het museum

Vandaag ging ik naar het Noordbrabants Museum. Als een ervaren museumbezoeker had ik vooraf kaartjes gekocht. Inclusief audiotour. Gewoon voor de heb. ‘Kom, we pakken de ingang van het Stedelijk Museum’, zeg ik, ‘Dat scheelt vast wachttijd.’ De teleurstelling is groot wanneer we vriendelijk verzocht worden de vooringang te gebruiken. ‘Ik zei het toch’, grijnst vriend(niet)lief wanneer we achteraan de rij aansluiten. Gelukkig neemt de stoet snel in lengte af, de meeste mensen waren namelijk minder slim dan ik. Alle kaartjes voor vandaag zijn uitverkocht. Ha! Bij bosjes druipen de grijze muizen af. Ik vind het alles behalve zielig. Morgen weer een dag, werken hoeven ze toch niet. Zeeën van tijd. Nou, niet als je ze in de rij voor de garderobe ziet staan. Voorkruipen alsof hun leven er vanaf hangt, alsof ze hierna nog drie werkbezoeken moeten afleggen en dan is er nog die ledenvergadering vanavond. Met andere woorden, er is haast bij. In de meeste gevallen behoor ik tot de groep vriendelijke, goedwillende jongeren. Ik houd deuren open, groet, laat mensen voorgaan en sta altijd mijn stoel af. Vandaag niet, vandaag vind ik iedereen boven de 55 (sorry mam) irritant.

Ik kijk op mijn horloge en constateer dat het nu eigenlijk tijd is voor een potje bingo, maar wanneer er een tentoonstelling te zien is van een tijdgenoot, tja dan moet je daar natuurlijk als de kippen bij zijn. Ik zweer het, ik heb bij ieder schilderij minimaal drie minuten moeten wachten voordat ik er ook maar een glimp van op kon vangen. Een beetje duwen is daarbij uit den boze, je wil namelijk geen botten breken. Heus, ik ben drukbezochte musea echt wel gewend, maar dit sloeg alles. De audiotour gesprekken ‘Wat zeg je, Will? Ik hóóóór je niet. Hoe zet ik dit ding uit?!!’ daargelaten. Mijn pogingen om alle omgevingsgeluiden te negeren, mislukt keer op keer. Ik heb namelijk geen audiotour. Een vijftien meter lange rij voor een koptelefoon, daar had ík nou geen tijd voor en in het boekje staat immers precies hetzelfde. Daar kwamen Will en Ans ook achter toen ze mij het boekje zagen bestuderen. Van hun gezichten lees ik af dat de beide dames niet begrijpen hoe ze een beschrijving opnieuw kunnen beluisteren. Will stapt dapper op me af en vraagt: ‘Zouden we alsjeblieft de tekst nog even mogen nalezen in jouw boekje?’ Ik frons mijn wenkbrauwen, kijk haar onbegrijpend aan en zeg: ‘Pardon me? Sorry, I don’t speak Dutch.’ Nog voor Will zich kan verontschuldigen komt mijn vriend aangelopen. ‘Ga je mee Roos, ik heb het wel gezien.’

De aanhouder wint

Ik ben ‘Rosa-niks-afmaaks’. Aan een miljoen dingen ben ik de afgelopen 27 jaar begonnen. Veel maakte ik af, veel ook niet. Een boek schrijven, een master afronden, een blog bijhouden, een halve marathon lopen, een vintage kledingwinkel beginnen, iedere dag mediteren, bikiniproof worden, minder drinken, yogini worden, leren fotograferen, mijn vaders werk exposeren. Niks van het bovenstaande heb ik gedaan, bereikt, slechts geprobeerd. De goede moed waarmee ik vaak begin, zakt me na een poosje in de schoenen. Een doorzetter ben ik niet, ik maak me er liever makkelijk vanaf. Het zit er wel; de ambitie, de drang, het verlangen. Maar bij het transformeren van die ambitie in laten we zeggen, het maken van keuzes, stappen en het nemen van risico’s, laat ik vaak een steekje vallen. Of beter gezegd een steek. En die prikt. Want er is niemand anders om de schuld te geven, niemand anders die de schuld op zich kan nemen. Niemand anders dan ikzelf. Maar doe ik dat ook? Nee, natuurlijk niet. Want er zijn altijd redenen genoeg. Redenen die me vrijpleiten, me nog wat meer tijd geven. Tijd om te verspillen. Te leven.

Ongezocht ongeluk

Na een glas wijn in het café smokkel ik de overgebleven nootjes ongezien (want onder mijn sjaal) mee de zaal in. Ondanks het feit dat het een schaaltje ordinaire pinda’s is, voelt het alsof ik zojuist een zak cocaïne het land binnen heb gesmokkeld. Een gevoel van euforie overvalt me en het zweet staat op mijn voorhoofd. Wanneer we een plekje gevonden hebben bekijk, of beter gezegd verslind, ik de buit. Nog tijdens het reclameblok werk ik alles naar binnen. Het gevolg: een gortdroge mond. Op dat moment stapt de mevrouw van de kaartcontrole naar voren en vertelt ons dat de film tweeëneenhalf uur zal duren. Zonder pauze. Ik voel me meteen verraden. Ze wist het!

Vaak kan ik dit soort irritaties maar moeilijk van me af zetten, maar vandaag ben ik de droge pinda nasmaak meteen vergeten. The Revenant is adembenemend. Op de fiets terug naar huis raak ik er niet over uitgepraat en ook thuis evalueer ik verder. In mijn dromen van die nacht komen zelfs beelden uit de film voorbij. En nee, niet alleen van Leonardo. Ook van beeldschone, ongerepte natuur, karakteristieke indianen gezichten en vechtende pelsjagers. Het beeld dat echter het vaakst terugkomt in mijn droom is dat van een boom. In de filmzaal had ik al een voorgevoel dat dit moment eraan zat te komen. Het is de muziek en de manier waarop de camera vanaf de wortels langzaam omhoog beweegt. Wat volgt is een ijzige stilte. Het lijkt zelfs alsof de wind even is gaan liggen. Ik wil mijn hoofd afwenden, maar het lukt niet. En dat geeft niet.

Nu was het in dit geval geen zelfmoord, het was moord. Moord is het op onwettige wijze opzettelijk beëindigen van het leven van een ander, waar een strafverzwarend element aanwezig is. In onder meer het Belgische, Nederlandse en Surinaamse recht is dat strafverzwarende element de zogeheten voorbedachten rade, aldus Wikipedia. Maar wat zegt dat over zelfmoord? Doet men dat dan ook met voorbedachte rade? Op dat moment denk ik aan de uitzending van De Wereld Draait Door waarin dichter Ellen Deckwitz en uitgever Robbert Ammerlaan kwamen vertellen over ‘Wakend over God’, de dichtbundel die Joost Zwagerman (die ik trouwens veel op mijn vader vind lijken, maar dat is weer een heel ander verhaal) vlak voor zijn dood voltooide. Matthijs van Nieuwkerk suggereert in zijn intro dat Zwagerman zijn zelfgekozen dood aankondigt in de dichtbundel. ‘Ik geloof het nog steeds niet’, zegt Ammerlaan, die ter illustratie vertelt over een boekje van de Oostenrijks-Duitse schrijver Peter Handke. ‘In dit boekje, dat de prachtige titel Wunschloses Unglück draagt, schrijft Handke over de zelfmoord van zijn moeder. Zo heb ik het altijd gezien: ongezocht ongeluk. Ik ben ervan overtuigd dat het Joost eerder is overkomen, dan dat hij het heeft gezocht.’

Ik heb dit fragment denk ik wel twintig keer teruggekeken, want het idee dat de dood ook mijn vader is overkomen, verzacht. Ik hoop dat hij zelf ook gelooft dat hem dit is overkomen. Het is in ieder geval niet zijn eigen schuld, het is de schuld van een ongezocht, ongelukkig leven.

Geen taart

Het regent. Op verjaardagen hoort het niet te regenen, vind ik. Zeker niet zoals vandaag. Met tussenpozen. Ik haat tussenpozen. Of het moet heel de dag regenen, of gewoon niet. Maar goed, jij bent dood, dus nat word je toch niet. Ik wel. Want ik ga naar je graf, samen met mama. Op de fiets, omdat mama wist dat er een tussenpoos aankwam. Ze had gelijk.

We fietsen langs ons oude huis. ‘Ik wil eigenlijk wel even in de tuin kijken.’ ‘Ben je gek, mam, dat kan echt niet hoor!’, sis ik. Ze doet alsof ze me niet gehoord heeft, stapt af en loopt de tuin in. ‘Moet je kijken hoe mooi Berkie erbij staat!’ De berkenboom aka Berkie, staat al zo’n vijftien jaar in de tuin. Op een zomerse zondagmiddag kwam papa, bezweet en een tikkeltje gehaast, de tuin in gefietst. Uit zijn linker fietstas kwam een heel schattig boompje tevoorschijn. ‘Vanwaar de haast, Ruud?’, vraagt mijn moeder. ‘En waar komt dat leuke boompje vandaan?’ ‘Ja, dat is het hele punt’, grinnikt mijn vader, ‘die heb ik dus mooi uit de polder meegenomen.’ Vandaag staat hij er nog, Berkie. En wij ook. Te brullen naast een joekel van een berkenboom, in een tuin die ooit de onze was. En dan begint het weer te regenen.

‘Zullen we eerst een kaarsje opsteken in het kapelletje?’, vraag ik wanneer we de begraafplaats op fietsen. ‘Natuurlijk! Maar dan moeten we ‘m daarna wel weer uitblazen’, grapt mijn moeder. ‘Hij is tenslotte jarig.’ Mijn vader is vandaag 60 jaar geworden. Aan taart deed hij nooit. ‘Daar word ik dik van’, zei hij dan. In plaats daarvan bestelde hij een glaasje rode wijn. Vandaag eten mama en ik dan ook geen taart, noch gebak. Vandaag drinken wij wijn, rode wijn. Op de grond, voor jouw graf, tijdens een tussenpoos. ‘Proost pap. Op jou.’

Ter Marsch & Co

By far één van de allerleukste burgertenten waar ik tot nu toe geweest ben. Alleen al omdat ik niet begreep hoe de toiletdeur open moest, ik minimaal een halve minuut heb staan klunzen totdat ik de gniffelende mannen achter me hoorde en het bijna in mijn broek deed van schaamte toen één van de twee me aankeek en zei: ‘Ja.’ (stilte) ‘Die is bezet.’ Op zo’n moment weet ik niet meer wat ik met mezelf aan moet, lees: waar ik moet kijken en hoe ik moet gaan staan. Ik zou het liefst oplossen in de frituurlucht (niet vies hier, overigens!). Dan schuift de deur open (toch een schuifdeur, ik wist het!), trippel ik naar binnen en ben ik veilig. Na mijn plas roetsj ik naar beneden en kruip gauw naast Jan op de bank.

We zitten voor het raam en kijken over de bar de zaak in. Aan de muur hangen kleine tafeltjes voor twee en boven is plek voor zo’n twintig man. Het zaakje is smal, maar knus en precies groot genoeg. We bestellen een witbiertje bij één van de vrolijke meisjes in de bediening. Ik mag zelfs mijn telefoon in de oplader pluggen achter de bar. Lief! En wat zijn we weer heerlijk eensgezind vandaag. We gaan allebei voor de kalfsburger. Niet de burger die als beste van Rotterdam of Nederland te boek staat, wel de burger waar wij het meest trek in hebben. Tussen de b van bestellen en de b van bunkeren is vriend Jan helemaal geobsedeerd door de rijpingskasten. Ieder z’n ding, natuurlijk. Dus bestel ik nog een biertje.

Het vlees is mals en lekker juicy, het broodje zacht met een knapperig korstje. De flinke dot tzatziki geeft de bite een lekker frisje, maar waar de chef mijn ‘nomnomnomnom’ momentje echt mee aftopt, zijn de verse frieten met eigengemaakte look mayo. Hulde! De burger heeft precies de juiste afmeting, niet te groot, maar zeker ook niet te klein. Een gevalletje van freaking perfect! Met een goed gevuld burger buikje, verplaatsen we ons naar het terras om de laatste zonnestralen mee te pikken en met een witbiertje in de hand te genieten van het gespuis in de leukste straat van de stad: de Witte de Withstraat.

Oh, en blijf je ook slapen in Rotjeknor? King Kong Hostel is the place to be! Ver lopen hoeft niet, je kunt rollend naar huis. Je vindt King Kong Hostel namelijk naast Ter Marsch & Co!

King Kong

Wat gepland stond als een weekend op de camping (ho, ho, een hele hippe camping wel te verstaan!), een weekend vol zon en wijntjes voor de tent, veranderde in een uitzichtloos weekend toen de regen, nog voor het hele camping weekend kon aanvangen, het ganse land al bijna van de radar had geplensd. En hoewel het ‘Schijt aan, we gaan gewoon’ in de auto nog niet eens zo slecht klonk, kwamen we daar bij aankomst snel op terug toen het nog harder was gaan regenen, de draaimolen kapot bleek te zijn en we te horen kregen dat het camping café schuine streep restaurant over een klein half uur ging sluiten en dat weekend ook niet meer van plan was open te gaan. Zelfs niet voor ons. We bestelden een kantine pils en maakten de balans op. Die was al gauw gemaakt: we waren in de aap gelogeerd. De klok stond op 16.37 uur en wij sliepen vooralsnog in de auto. Niemand had namelijk zin om in de zeikende regen een tent op te zetten. Nog minder keken we ernaar uit om in de tent te gaan liggen, een lamp hadden we namelijk niet.

‘Stukje rijden dan maar?’, zegt Jan aarzelend. ‘Ik proest het uit. ‘Ik dacht dat je het nóóit ging zeggen!’ We besluiten dat we twee opties hebben. Of Dordrecht, of Rotterdam. Munt. Het wordt Rotterdam. Terwijl Jan rijdt, scrol ik de ene na de andere populaire blog door, op zoek naar een hip bed in Rotjeknor. Al gauw vind ik het King Kong Hostel. Hip design, origineel en zacht geprijsd. Van de kamers word ik spontaan vrolijk: allemaal ingericht door Rotterdamse kunstenaars. ‘Bellen!’, schreeuwt Jan. De telefoon gaat over en al gauw neemt een vrolijk meisje de hoorn op. ‘Of course we have room for two, we are happy to have you guys!’ We kijken elkaar aan. Oké. Het kan ook een gevalletje too good to be true zijn, maar hee, wat hebben we te verliezen? Helemaal niks, blijkt wanneer we de Witte de Withstraat inrijden. ‘Ik dacht dat jij in Rotterdam gestudeerd had’, zeg ik plagend. ‘En jij kent deze straat niet eens!’ Jan is flabbergasted: ‘Het is gewoon gezellig hier. In Rotterdam.’

We mogen pitten in de Kongmeis kamer, een kamer ontworpen door en vernoemd naar kunstenaarsduo Marco Versloot en Manon Rietveld. Onder de naam Kongmeis tonen Marco en Manon hun passie voor grafische typografie en hun liefde voor Rotterdam. En die liefde zit diep. In de Kongmeis kamer brengen ze een ode aan het Rotterdamse vocabulaire met ‘het alfabet van de RotterdammerT’. Bakkie pleur, nassen en de natte t. Jazeker, ze komen allemaal voorbij. Lees van a tot z, maar vergeet vooral ook niet om de platenspeler even aan te zetten. Dansen mag! Te moe om te swingen? Duik dan de bank op en kijk in de gezamenlijke loungeruimte een filmpje. Te moe om te swingen à la, te moe voor een pint? Nooit! Na onze zalige burger doken wij nog even de Witte Aap in. Aapig detail: de voormalige eigenaar van dit café is nu de eigenaar van het King Kong hostel.

Waarom wij een ordinaire burger gingen eten? Wel, omdat ik voedsel bereid dat ik de kat niet eens zou voeren. Maar kook jij wel graag op reis, dan zou ik dat zeker in het King Kong Hostel doen! Prachtige, schone keuken en mooie apparatuur. Met lekkere ruime badkamers, is ook douchen fijn hier. Reis je alleen of met vrienden? Check dan één van de vrolijke dormitories. Houten vloeren, grote raampartijen, fijne hangmatten. Need I say more? Misschien alleen al omdat toiletteren in deze dorms ook een feest is, zo heb ik me laten vertellen. Iets met een mooi stadsuitzicht. 

Blijkt maar weer, in de aap logeren is helemaal zo slecht nog niet!